Het is ieder jaar weer hetzelfde
Je zit ergens op een klein terrasje in Italië, Frankrijk of Spanje. Het is een uur of zeven. De zon schijnt nog. Je hebt eigenlijk geen idee wat er op de wijnkaart staat en dus bestel je maar gewoon een karafje witte wijn van het huis.
Eerste slok: Waanzinnig!
Wat is dit lekker! Waar komt deze wijn vandaan? Welke druif is dit? Kunnen we hier ergens een doos van kopen?
Vervolgens ga je de volgende dag op zoek naar die fles. Je vindt hem uiteindelijk bij een klein winkeltje en natuurlijk gaan er zes flessen mee naar Nederland. Eenmaal thuis trek je vol verwachting de eerste fles open.
En dan gebeurt het: Mwah. Is dit nou diezelfde wijn? Jazeker. Precies dezelfde. Alleen ben jij niet meer dezelfde.
Vakantie is de beste wijnmaker ter wereld
Ik heb dit natuurlijk zelf ook vaak genoeg meegemaakt. En eigenlijk is het heel simpel. Wijn proef je nooit alleen met je neus en je mond. Alles eromheen doet mee.
Op vakantie heb je geen haast. Je hoeft niet meer naar je werk. De kinderen hoeven niet naar school. Het is lekker weer. Je hebt die middag door een prachtig dorpje gelopen en daarna misschien nog even bij het zwembad gelegen.
En dan staat daar ineens om half zeven een glas wijn voor je neus. Die wijn staat eigenlijk al met 1 tegen 0 voor. Doe daar een bordje olijven bij, een stukje kaas en het geluid van wat krekels op de achtergrond en we gaan richting 3 tegen 0. Daar kan je eettafel thuis nauwelijks tegenop.
Ook het weer helpt mee
Er gebeurt nog iets anders. Als het buiten 28 graden is, heb je automatisch zin in andere smaken. Een frisse witte wijn, een koude rosé of een lichte rode wijn smaakt dan fantastisch.
Zet diezelfde wijn in november thuis op tafel terwijl de regen tegen de ramen slaat en je stamppot staat te eten en de magie is ineens een stuk minder groot.
Andersom werkt het trouwens ook. Een stevige rode wijn die op een koude winteravond geweldig smaakt, kan tijdens een zomervakantie behoorlijk vermoeiend zijn. Het moment bepaalt dus voor een groot deel waar je zin in hebt.
En dan is er nog het eten
Dit wordt vaak onderschat. Die simpele lokale wijn die je op vakantie drinkt, is meestal gemaakt voor het eten uit die streek.
Een frisse Vermentino bij een visje aan de Italiaanse kust. Een glas rosé bij een salade in Zuid Frankrijk. Een eenvoudige Spaanse rode wijn bij wat ham, worst en gegrild vlees. Geen hogere wiskunde. Het klopt gewoon.
Thuis trekken we vervolgens die fles open bij iets compleet anders en verwachten we dezelfde sensatie. Dat lukt dus niet altijd.
Maar was die wijn dan eigenlijk wel zo goed?
Misschien niet. En dat maakt helemaal niets uit. Ik vind dat we wijn soms veel te serieus maken. Alsof iedere fles beoordeeld moet worden op punten, complexiteit, lengte en weet ik veel wat allemaal.
Soms is een wijn gewoon precies goed op het juiste moment. Dan hoeft hij helemaal niet de beste wijn ter wereld te zijn.
Sterker nog, misschien is dat wel een van de leukste dingen aan wijn. Een fles kan je jaren later nog terugbrengen naar dat ene terras, dat restaurantje of die vakantie. Je trekt hem open en voordat je überhaupt geproefd hebt, weet je alweer precies waar je zat.
Dus toch meenemen?
Absoluut! Ook al smaakt hij thuis misschien nét iets minder lekker.
Ik blijf het zelf ook doen. Kom ik ergens een leuke wijn tegen die ik niet ken, dan wil ik weten waar hij vandaan komt. En als hij echt lekker is, gaat er gewoon een fles mee. Of twee. Of zes. Je weet immers nooit.
En mocht die wijn thuis toch een beetje tegenvallen, dan ligt het misschien helemaal niet aan de wijn. Zet de verwarming op 28 graden. Leg je telefoon weg. Zet een schaal olijven op tafel. Trek je korte broek aan en doe je ogen dicht. Misschien proef je hem dan ineens weer: De vakantie!